
Málaga-Barcelona werd zondag om etenstijd gespeeld. Dat is geen bezwaar in Spanje.
Eerder dit seizoen zat ik zelf in La Rosaleda, het stadion van Málaga. Tegenstander was Getafe, het was de late wedstrijd op zaterdagavond. In de rust, maar een dik uur voor middernacht, haalden alle trouwe thuissupporters om ons heen een broodje in aluminiumfolie tevoorschijn. Meegenomen van thuis, want rond het stadion was nergens iets te krijgen wat maar op een broodje leek. Ze begonnen gulzig te eten. De vreemdelingen in het stadion, dagjesmensen als ik, spoelden jaloers veel te zoute chips weg met frisdrank.
De rust bleek het keerpunt. De eerste helft was gezapig, na de pauze vatte La Rosaleda volbuiks vlam. Pedro Leon maakte een wereldgoal en Van Nistelrooy scoorde. Ver in blessuretijd, de stand was 2-2, kogelde Júlio Baptista een omhaal in het doel van de bezoekers. Málaga was een minuut later koploper in de Primera Division. Voor één dag, dat wel.
Een jaar eerder had ik al kennisgemaakt met etende Spaanse fans, toen mijn Catalaanse buurman op de tribune in Camp Nou vijf gangen verorberde. Uit zijn tas bleef hij nieuwe gerechten opdiepen. Op het veld was het Barcelona-Villareal. Barça was formidabel. De meesters van het tiki-taka schetsten die avond wat ze zestien dagen later met subtiele penseelstreken zouden inkleuren, in de beroemde 5-0 tegen Real Madrid. Toch was de man vooral met zijn eten bezig.
Toen Barcelona zijn socios op 29 november 2010 op dat onvergetelijke vijfgangenmenu tegen de grote concurrent trakteerde, zat ik gewoon weer thuis op de bank. Genietend, natuurlijk, maar ook denkend aan m'n buurman in Camp Nou. Een man dronken van geluk, ondanks een goede bodem.
